Godfried Brattinga

Vertel ons over je boek!

Het verhaal begint op vrijdag 15 januari 1982. De tienjarige Tom verlaat het internaat en wordt opgenomen in een nieuw gezin. Daar ontmoet hij Marc, zijn nieuwe broer. Voor Tom lijkt dit aanvankelijk een nieuwe kans op veiligheid en geborgenheid. Marc groeit op in een liefdevol gezin en probeert zijn nieuwe broer te verwelkomen.

Maar Tom draagt de sporen van een beschadigde jeugd met zich mee. Langzaam verandert de verhouding tussen de twee jongens. Wat begint als een band tussen twee kinderen, ontwikkelt zich tot een ingewikkelde relatie waarin vriendschap, loyaliteit, schuld, jaloezie, manipulatie en macht steeds sterker door elkaar gaan lopen.

Marc wil geloven dat hij Tom kan helpen. Tom wil ergens bij horen, maar weet niet hoe hij met vertrouwen, liefde en grenzen moet omgaan. De volwassenen om hen heen zien slechts delen van wat er gebeurt. Waarschuwingen worden niet altijd serieus genomen en de verantwoordelijkheid wordt steeds opnieuw doorgeschoven.

Deel één laat zien hoe een kind stap voor stap kan worden beschadigd wanneer niemand werkelijk luistert. Het laat zien hoe geweld kan voortbestaan wanneer het wordt verpakt in keurige taal en hoe een tragedie kan ontstaan zonder dat iemand zich uiteindelijk verantwoordelijk voelt.

In het tweede deel wordt het verhaal groter en donkerder. De geschiedenis van Tom en Marc staat niet op zichzelf. Achter hun levens staan vele andere kinderen: kinderen die uit hun gezin worden weggehaald, van broers en zussen worden gescheiden, in instellingen verdwijnen of worden teruggestuurd naar situaties waarin het gevaar blijft bestaan.

Het boek laat zien dat misstanden niet alleen mogelijk worden gemaakt door degenen die kinderen mishandelen of misbruiken. Ook mensen die signalen negeren, slachtoffers niet geloven of zich verschuilen achter regels en procedures, kunnen bijdragen aan het voortbestaan van geweld.

Kinderen worden bestempeld als moeilijk, lastig, overdreven of ongeloofwaardig. Instellingen beschermen soms eerder hun eigen naam dan de kinderen voor wie zij verantwoordelijk zijn. Politie, hulpverlening, kinderbescherming en de omgeving kunnen tekortschieten wanneer zij kiezen voor de gemakkelijkste verklaring in plaats van voor de waarheid.

De gevolgen daarvan werken vaak jarenlang door. Sommige kinderen dragen hun trauma hun hele leven mee. Anderen raken verslaafd, verliezen zichzelf, worden opnieuw slachtoffer of beschadigen op hun beurt anderen. Niet omdat het kwaad vanzelf ontstaat, maar omdat er niet op tijd wordt geluisterd en ingegrepen.

De verrotte experimenten van de deugmensen is geen gemakkelijk of geruststellend verhaal. Het is een rauwe en confronterende roman over kinderen, macht, trauma, institutioneel falen en de gevolgen van wegkijken.

De lezer wordt geconfronteerd met de vraag waar verantwoordelijkheid begint en eindigt. Wie beschermt een kind wanneer de mensen die daarvoor zijn aangesteld zelf onderdeel worden van het probleem? Wat gebeurt er wanneer een slachtoffer niet wordt geloofd? En wanneer verandert zwijgen in medeplichtigheid?

Het kwaad zit niet alleen in wat daders doen.

Het zit ook in het zwijgen daarna.
In het wegkijken.
In het ontkennen.
In het nette praten over wat iedereen eigenlijk al wist.

De slachtoffers verdwijnen niet wanneer de buitenwereld besluit niet te kijken. Hun pijn blijft bestaan – soms in stilte, soms in woede en soms tot aan de dood.

Met dit boek wil ik de stilte doorbreken en aandacht vragen voor kinderen die niet werden gehoord.

 

Hoe is je boek tot stand gekomen? Was het een duidelijk idee vanaf het begin, of is het gegroeid tijdens het schrijfproces?

Aan dit boek is bijna twintig jaar gewerkt. Het begon ooit als een kort verhaal. Nadat mijn moeder het eerste gedeelte had gelezen, zei zij: “Je moet een vervolg maken.” Dat heb ik gedaan. Het vervolg was aanvankelijk nog kort, maar het verhaal liet mij niet los.

In de jaren daarna heb ik het boek steeds opnieuw aangepast, uitgebreid en herschreven. Personages kregen meer diepte, gebeurtenissen werden verder uitgewerkt en de gevolgen van wat de kinderen overkwam, werden steeds duidelijker. Hoewel de eerste versie van beide delen relatief snel op papier stond, is het boek zoals het er nu ligt het resultaat van twintig jaar schrijven, schrappen, herschrijven en terugkeren naar herinneringen die zich niet eenvoudig laten ordenen.

De aanleiding voor het verhaal ligt in mijn eigen jeugd. Als kind verbleef ik in een instelling. Daar heb ik gezien wat medewerkers kinderen konden aandoen, hoe kinderen elkaar onderling konden beschadigen en hoe volwassenen die verantwoordelijk waren voor hun veiligheid soms zelf onderdeel van het probleem werden.

Wat mij vooral is bijgebleven, is niet alleen wat er binnen instellingen gebeurde, maar ook hoe de omgeving daarop reageerde. Signalen werden genegeerd, kinderen werden niet geloofd en verantwoordelijkheid werd doorgeschoven. Soms werden gebeurtenissen gebagatelliseerd of zelfs gerechtvaardigd.

Dat wegkijken heeft grote gevolgen. Wanneer een kind niet wordt beschermd, raakt het niet alleen zijn veiligheid kwijt, maar vaak ook het vertrouwen in zichzelf en in de wereld om zich heen.

De verrotte experimenten van de deugmensen is een autofictioneel boek. Het is geen letterlijk verslag van ieder afzonderlijk feit. De personages en gebeurtenissen zijn literair vormgegeven, maar de gevoelens, thema’s en onderliggende werkelijkheid zijn verbonden met ervaringen die voor veel mensen herkenbaar en pijnlijk werkelijk zijn.

Het schrijven is voor mij ook een vorm van verwerking geweest. Niet als een eenvoudige genezing, maar als een manier om woorden te geven aan wat jarenlang moeilijk uit te spreken was. De waarheid verandert het verleden niet, maar zwijgen beschermt alleen degenen die geen verantwoordelijkheid willen nemen.

Voor wie is dit boek volgens jou bedoeld? Waarin hoop je dat een lezer zich herkent?

Dit boek is bedoeld voor lezers die geïnteresseerd zijn in verhalen over machtsmisbruik en institutioneel falen, jeugdzorg, pleeggezinnen en instellingen, trauma, mishandeling en verwaarlozing, loyaliteit, schuld en verantwoordelijkheid, en de gevolgen van wegkijken en zwijgen.

Het boek kan herkenning bieden aan mensen die zelf in een instelling, pleeggezin of andere vorm van jeugdzorg hebben verbleven. Ook familieleden, hulpverleners, leerkrachten, bestuurders en andere professionals die met kwetsbare kinderen werken, kunnen in dit verhaal indringende vragen tegenkomen.

Tegelijkertijd is dit boek niet uitsluitend een maatschappelijk verhaal. Het gaat ook over vriendschap, verlies, schuld, vergeving en de vraag of verandering mogelijk is nadat mensen elkaar diep hebben beschadigd.

De inhoud is zwaar. Het boek bevat indringende beschrijvingen van mishandeling, seksueel misbruik, verwaarlozing, psychische ontwrichting, zelfbeschadiging en zelfdoding. Lezers die zelf traumatische ervaringen hebben meegemaakt, wordt aangeraden het boek met zorg te lezen.

Dit verhaal is geschreven voor de kinderen die niet werden gehoord, voor de overlevenden die hun hele leven met de gevolgen moesten leven en voor iedereen die begrijpt dat bescherming pas betekenis heeft wanneer iemand durft te kijken, te luisteren en in te grijpen.

 

Schrijf je nu aan iets nieuws?

Een mogelijk volgend verhaal gaat over wanneer zorg verandert in macht, geïnspireerd op de tijd dat ik in de psychiatrische verpleging werkte. Dat heb ik zo’n veertien jaar gedaan, tot zo’n dertien jaar geleden, en ook de tijd dat mijn lieve zus daar als patiënt verbleef, zo’n veertig jaar geleden, speelt hierin een rol. Zij is daar overleden. Een trein heeft haar geraakt om 22.16 uur op een donderdag. “Ga maar zelfmoord plegen,” zei de psychiater, “daar ben je goed in,” en hij ontsloeg haar plotseling, binnen een minuut. Vaak had hij het fout, nu niet. Binnen tien uur was ze dood.

Dit verhaal wordt geen vervolg op De verrotte experimenten van de deugmensen, maar gaat wel over een wereld waarin dezelfde vragen terugkeren: wie beschermt de kwetsbare mens, wie neemt verantwoordelijkheid en wat gebeurt er wanneer een systeem zichzelf belangrijker vindt dan degene voor wie het bedoeld is?

Dit verhaal zou zich dus afspelen binnen de psychiatrie. Een wereld waarin mensen terechtkomen omdat zij hulp nodig hebben, omdat zij vastlopen, ziek zijn, bang zijn of zichzelf niet meer kunnen beschermen. Een wereld die veiligheid zou moeten bieden, maar waarin macht, geld, routine en professionele arrogantie soms een eigen leven gaan leiden.

Het zou gaan over patiënten die lichamelijke klachten uiten, maar niet worden geloofd omdat zij eenmaal een psychiatrische diagnose hebben. Hoofdpijn wordt angst genoemd. Benauwdheid wordt paniek. Pijn wordt aandacht vragen. Verwardheid wordt gezien als een symptoom van de stoornis. En wanneer iemand blijft aandringen, wordt dat niet opgevat als een mogelijk alarmsignaal, maar als weerstand tegen de behandeling.

Soms wordt er geen huisarts gebeld omdat de verpleging denkt zelf te weten wat er aan de hand is. Alsof een psychiatrisch verpleegkundige ook automatisch arts is. Alsof een patiënt met een diagnose geen recht meer heeft op twijfel, onderzoek of een tweede mening. Ondertussen kan een eenvoudige lichamelijke aandoening verergeren. Een infectie, een hartprobleem, uitdroging of een andere ziekte die met tijdig en zorgvuldig handelen voorkomen had kunnen worden, wordt pas ontdekt wanneer het te laat is.

Dan staat er geen diagnose meer op het formulier die alles verklaart. Dan ligt er een lichaam dat niet langer kan wachten.

In het verhaal zou ook de macht van het DSM-boek een belangrijke rol spelen. Niet omdat psychiatrische classificaties altijd nutteloos zijn, maar omdat een hulpmiddel kan veranderen in een oordeel waar niet meer van wordt afgeweken. De diagnose wordt dan geen beginpunt van onderzoek, maar een eindpunt. Alles wat iemand doet, zegt of voelt, wordt door hetzelfde etiket verklaard.

Wie verdrietig is, heeft een stoornis. Wie boos wordt, is ziek. Wie vragen stelt, werkt niet mee. Wie bang is, heeft onvoldoende inzicht. Wie de behandeling niet meteen aankan, wordt ongemotiveerd genoemd. En wie na één mislukte poging opnieuw probeert op te staan, krijgt te horen dat hij niet wil veranderen.

Maar herstel verloopt niet in rechte lijnen. Een mens kan willen veranderen en toch terugvallen. Iemand kan begrijpen wat er nodig is en het op dat moment toch niet kunnen. Soms is dat geen onwil, maar uitputting. Soms geen verzet, maar angst. Soms geen gebrek aan motivatie, maar een leven dat jarenlang beschadigd is geweest.

Toch wordt de schuld vaak bij de patiënt gelegd. Wanneer iets niet lukt, wordt gezegd: “Hij werkt niet mee.” Wanneer iemand blijft worstelen: “Zij heeft geen ziekte-inzicht.” Wanneer iemand het vertrouwen in de instelling verliest: “Hij is moeilijk te behandelen.” Zo wordt het systeem vrijgesproken en wordt de patiënt verantwoordelijk gemaakt voor het falen van de zorg.

Geld zou in dit verhaal niet op de achtergrond blijven. Instellingen moeten draaien, bedden moeten bezet blijven, personeel moet worden ingezet en behandelingen moeten binnen een bepaald aantal weken resultaat opleveren. De mens wordt een dossier, een diagnose, een traject of een financieel nummer. Aandacht kost tijd. Goed onderzoek kost tijd. Een arts bellen kost tijd. Luisteren kost tijd.

En tijd is binnen veel instellingen geld.

Daarom wordt de vraag belangrijk: wat gebeurt er wanneer zorg niet langer in de eerste plaats gericht is op herstel, maar op beheersing? Wanneer rust belangrijker wordt dan waarheid? Wanneer een kalme afdeling belangrijker wordt gevonden dan een patiënt die eindelijk durft te zeggen dat hij pijn heeft? Wanneer gehoorzaamheid wordt verward met genezing?

Het verhaal zou niet beweren dat alle psychiatrische hulpverleners slecht zijn. Integendeel. Er zijn mensen die zich met grote toewijding inzetten voor patiënten en die iedere dag proberen werkelijk te helpen. Juist daarom zijn misstanden zo ernstig. Zij beschadigen niet alleen patiënten, maar ook de professionals die wel zorgvuldig, menselijk en verantwoordelijk willen werken.

De kern zou liggen bij een patiënt die steeds opnieuw aangeeft dat er lichamelijk iets mis is. Zijn woorden worden genegeerd omdat hij bekendstaat als psychiatrisch patiënt. Hij probeert uit te leggen wat hij voelt, maar iedere uitleg wordt teruggebracht tot zijn diagnose. Hoe harder hij probeert gehoord te worden, hoe meer hij als lastig en instabiel wordt gezien.

Totdat zijn lichaam het antwoord geeft dat niemand nog kan ontkennen.

Dan blijkt misschien dat zijn klachten geen verbeelding waren. Dat zijn angst ergens vandaan kwam. Dat zijn verzet geen onwil was, maar een poging om te overleven. En dat de grootste fout niet alleen lag in wat men verkeerd deed, maar ook in wat men weigerde te doen: luisteren, onderzoeken en hulp inschakelen.

Want iemand met een psychiatrische diagnose blijft in de eerste plaats een mens. Een mens met een lichaam dat ziek kan worden, een stem die gehoord moet worden en een leven dat niet minder waard wordt door een etiket.

Wanneer verpleging denkt zelf dokter te zijn, wanneer geld zwaarder weegt dan zorg en wanneer een diagnose belangrijker wordt dan de persoon achter die diagnose, kan hulp veranderen in een systeem dat zichzelf beschermt.

En soms sterven mensen niet alleen aan hun ziekte.

Soms sterven zij aan het feit dat niemand meer naar hen wilde luisteren.

 

Heb je tips of advies voor anderen die een boek willen schrijven?

Mijn belangrijkste tip aan andere schrijvers is: geef niet te snel op.

Een boek ontstaat niet altijd in één keer. Soms begint het met een kort verhaal, een herinnering, een zin of een beeld dat jarenlang in je hoofd blijft zitten. Een eerste versie hoeft niet perfect te zijn. Zij is vooral het begin.

Je mag teruggaan, schrappen, veranderen en opnieuw beginnen. Soms moet een hoofdstuk meerdere keren worden herschreven voordat het werkelijk zegt wat je bedoelt. Sommige verhalen hebben jaren nodig om hun juiste vorm te vinden.

Schrijf over onderwerpen die voor jou betekenis hebben. Durf ook de twijfel, de schaamte, het falen en de stilte te laten zien. Juist daardoor kan een verhaal herkenbaar en geloofwaardig worden.

Blijf schrijven wanneer het verhaal in je blijft leven. Want soms moet een verhaal niet alleen worden geschreven om gelezen te worden.

Soms moet het eerst worden geschreven om niet langer te hoeven zwijgen.

 

Wat lees je zelf graag? Welk boek heb je het laatst gelezen?

Ik lees graag boeken over misdaad, psychiatrie, maatschappelijke misstanden en de donkere kanten van menselijk gedrag, zoals Xayinka, Oog in oog met het beest en Dodelijke leugens.

 

Wat doe je als je niet aan het schrijven bent?

Naast het schrijven werk ik in mijn eigen restaurant, waar ik als chef-kok werkzaam ben. In mijn beperkte vrije tijd ga ik graag op pad, met de fiets of met de auto. Ik zoek dan de natuur op en geniet van de rust en de eenzaamheid.

Aanbevolen voor jou