Frits Homan

Vertel ons over je boek!

Een negenjarige jongen hoort in 1965 van zijn moeder dat hij met zijn ouders met de trein mee mag naar Limburg. Hij gaat zijn oudste zusje Joke voor het eerst zien.

Hij heeft nog nooit van haar gehoord.

De jongen kijkt op latere leeftijd terug op die eerste kennismaking met zijn toen acht jaar oudere zus, die door zijn vader twee weken vóór haar vijfde verjaardag naar een tot verstandelijk gehandicapteninrichting omgevormd klooster werd gebracht. Meer dan honderdvijftig kilometer van haar geboorteplaats. Daar werden verstandelijk gehandicapte kinderen verzorgd door nonnen die nooit voor die taak waren opgeleid. Zijn zusje leed aan NAH (Niet Aangeboren Hersenletsel), veroorzaakt door complicaties door de in die tijd verplichte Pokkenvaccinatie op éénjarige leeftijd. Haar ouders, die dol op hun dochtertje waren, hebben haar tot haar vijfde jaar thuis verzorgd, tot de andere kinderen werden geboren, en de pastoor in 1952 er op aandrong om Joke naar het klooster te brengen. In de visie van de Katholieke Kerk van destijds was een verstandelijk gehandicapt kind een rem op de ontwikkeling van een groot gezin.

Terugkijkend op de periode van zijn negende jaar tot het overlijden van zijn oudste zus in 2002, onderzoekt de schrijver de band met haar. Hij ziet zichzelf op jeugdige leeftijd weer angstig het donkere klooster inlopen. En kijkt hij terug op de bezoeken in latere jaren, waarin hij de afstand tussen Joke en hemzelf nooit meer wist te slechten. Hij ziet terug op het zwijgen van zijn ouders, die hun hele leven toch zielsveel van hun oudste kind zijn blijven houden. En op de houding van de rest van het gezin, zijn drie oudere broers en enige zus thuis, die Joke, net als hij, óók nooit als onderdeel hiervan hebben gezien.

Het verhaal vertelt de moeizame omgang van de familieleden met hun verstandelijk- en later ook fysiek gehandicapt familielid in Limburg. De ouders, de negenjarige jongen en Joke krijgen een eigen stem in de geschiedenis. De schrijver neemt zélf de pen op bij de gebeurtenissen rondom het overlijden en afscheid van Joke, en bij zijn persoonlijke gedrevenheid om zijn oudste zusje haar plek in het gezin terug te geven.

 

Hoe is je boek tot stand gekomen?

Op latere leeftijd werd ik mij de vreemde relatie met mijn oudste zusje bewust. De stilte die al die jaren heeft geheerst in onze familie, én het feit dat ik na haar overlijden ruim twintig jaar lang geen moment aan haar heb gedacht, maakte dat ik mij schuldig voelde door het jarenlang negeren van haar bestaan. Hoe kwam het dat ik wél ruim dertig jaar als teammanager in een Sociaal Werkbedrijf heb gewerkt en een partner heb met ruim veertig jaar werkervaring in de Verstandelijk Gehandicaptenzorg, maar ik mijn oudste zusje nóóit een zoen heb gegeven?

Het was geen schaamte, weerzin of angst. Maar wat was het dan wel? Wat veroorzaakte die hoge muur tussen mij en Joke? Waarom die stilte over haar in onze hele familie, binnen én buiten ons gezin. Dáár ben ik naar op zoek gegaan.

 

Was het een afgewerkt idee of is het gegroeid door het schrijfproces?

Ik liep vast. Ik kende alle feiten, maar wist niet hoe alle betrokkenen hiermee zijn omgegaan. Een oude wijze vriend, ooit gewijd tot priester, later uitgetreden en hoogleraar geworden, zette mij op het juiste pad: “Velen zijn al overleden, je zult het nooit meer vernemen, schrijf dus naar de waarschijnlijkheid”. En dat heb ik gedaan. Gedurende het schrijfproces van twee jaren zijn het de oude familiealbums die mijn geheugen aan het werk hebben gezet, en hebben die in samenspraak met de vele gesprekken met nog aanwezige familieleden het verhaal vorm gegeven.

 

Waarom wilde je een boek schrijven? Wat inspireerde je?

Ik heb altijd gehouden van lezen. De talloze (auto)biografieën en verhalen hebben mede de persoon gemaakt die ik ben geworden. Zo’n vijftien jaar geleden ben ik gestart met schrijven als freelance politiek verslaggever van twee lokale kranten. En merkte ik dat schrijven geweldig leuk is. Het is zo bijzonder om óók te ervaren hoe een verhaal onder je vingers groeit, personen (weer) tot leven komen, en je de weg wijzen.

 

Schrijf je nu aan iets nieuws?

Jazeker. Tijdens mijn werk bij het Sociaal Werkbedrijf ben ik bij veel uitvaarten van cliënten aanwezig geweest, waarbij ik in de gesprekken met nabestaanden er achter kwam dat ieder overlijden een uniek eigen verhaal in zich herbergt. Was dat in mijn omgeving ook zo? En dat bleek. De verhalen vóór-, tijdens en ná een overlijden zijn ontzettend divers. Directe nabestaanden, vrienden en kennissen blijken op zo’n proces soms hun eigen terugblik en gevoelens op na te houden. Die soms heftige verhalen verzamel ik en probeer ik op een wat meer lichtere manier te vertellen, waarbij de verteller niet wegloopt van zijn eigen inbreng.

 

Heb je tips of advies voor anderen die een boek willen schrijven?

Ja én nee. Want wie ben ik. Iedere schrijver, of die nu Mulisch heet of Wolkers of Verhoef, of van der Heijden, allemaal hebben zij hun eigen inspiratiebron, genre en werkwijze. Van alle schrijvers iets overnemen, zou een ratjetoe van een manuscript opleveren. Wat mijzelf betreft: ik heb het typoscript eerst op een ouderwetse typemachine geschreven, geen computer die mij de baas is.

 

Waarom vind je dat je boek gelezen moet worden?

Ik hang hier meer de Olympische gedachte aan: meedoen is belangrijker dan winnen. Als ik toch een doelgroep moet noemen: ik verwacht dat mijn verhaal ‘Een zusje ver weg’ breder speelt dan alleen in mijn familie. Hoe gaat de Zorg hiermee om, zijn zij zich bewust wat in de familie van hun cliënten zou kunnen spelen? En mogelijk raakt het verhaal mensen in een zelfde situatie.

 

Wat doe je als je niet aan het schrijven bent?

Ik ben na ruim 30 jaar in een Sociaal Werkbedrijf klaar met werken. Ik schrijf voor twee lokale kranten over de politiek in mijn woonplaats, ga graag naar de film, musea en lees. En dan is er natuurlijk altijd mijn tuin.

Aanbevolen voor jou